|
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummers:
105.005.608/01 en 105.005.783/01
Rolnummers (oud): 06/1396 en
06/1572
Rolnummer rechtbank: 04-2145
arrest van de vijfde civiele kamer
d.d. 21 april 2009
in de zaak met nummer 105.005.608/01
Vitens N.V.,
gevestigd te Zwolle,
appellante,
hierna te noemen: Vitens,
advocaat: mr. H.J.A. Knijff te Amsterdam,
tegen
Holland Waterfiltration Systems (HWS)
B.V.,
gevestigd te Utrecht, kantoorhoudend te ’s-Gravenhage,
geïntimeerde,
hierna te noemen: HWS,
advocaat: mr. H.M. de Mol van Otterloo te Amsterdam,
alsmede in de zaak met nummer 105.005.783/01
Vereniging van Waterbedrijven in
Nederland,
gevestigd te Rijswijk,
appellante,
hierna te noemen: Vewin,
advocaat: mr. T. Cohen Jehoram te Amsterdam,
tegen
Holland Waterfiltration Systems (HWS)
B.V.,
gevestigd te Utrecht, kantoorhoudend te ’s-Gravenhage,
geïntimeerde,
hierna te noemen: HWS,
advocaat: mr. H.M. de Mol van Otterloo te Amsterdam.
Het (verdere) geding
in de zaak met nummer 105.005.608/01 (Vitens/HWS)
Bij exploot van 16 augustus 2006 is Vitens in hoger beroep gekomen van het
vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 5 juli 2006, gewezen tussen haar
als gedaagde en HWS als eiseres. Vitens heeft, onder overlegging van
producties, twaalf grieven, genummerd 1 tot en met 13 (grief 6 ontbreekt),
aangevoerd, die door HWS, eveneens onder overlegging van producties, zijn
bestreden. Ter zitting van het hof van 15 januari 2009 hebben partijen de
zaak doen bepleiten, Vitens door mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te
Zwolle, en HWS door haar hiervoor genoemde advocaat. Bij die
gelegenheid zijn door HWS nadere producties in het geding gebracht. Partijen
hebben vervolgens arrest gevraagd, waartoe HWS haar procesdossier heeft
overgelegd.
in de zaak met nummer 105.005.783/01 (Vewin/HWS)
Verwezen wordt naar het arrest van dit hof van 16 augustus 2007, waarbij de
vordering van Vewin ex artikel 843a Rv is afgewezen. HWS heeft vervolgens de
grieven van Vewin bij memorie van antwoord, onder overlegging van producties,
bestreden. Ter zitting van het hof van 15 januari 2009 hebben partijen de
zaak door hun hiervoor genoemde advocaten (Vewin tevens door mr. D.M. Jansen
te Amsterdam) doen bepleiten. Bij die gelegenheid zijn door beide partijen
nadere producties in het geding gebracht. Partijen hebben vervolgens hun
proces-dossiers overgelegd en arrest gevraagd. De advocaat van HWS heeft
zich, met instemming van de wederpartij,
bij brief van 22 januari 2009 nog tot het hof gewend.
Beoordeling van het hoger beroep
in beide zaken
1. Het gaat in deze zaken, kort gezegd, om het volgende.
HWS heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd een verklaring voor recht
dat Vewin en Vitens jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld, vergoeding van
haar schade, op te maken bij staat, en betaling van een voorschot op de
schadevergoeding van € 1.500.000,--. HWS had daarbij het oog op een aantal
uitlatingen in de pers van de directeur van Vitens in april 2003, uitlatingen
van de plaatsvervangend directeur van Vewin in een uitzending van het RTL-4
Journaal van 15 april 2003 en op een brief van Vewin aan N.V. Koninklijke
Ahold (hierna Ahold genoemd) van 15 april 2003, alle betrekking hebbend op
het door HWS ontwikkelde en verhandelde product “Zero-water”. Zero-water is
leidingwater dat door middel van een zuiveringsapparaat wordt “nagezuiverd”.
Dit zuiveringsapparaat was in 2003 onder meer opgesteld in
26 filialen van Albert Heijn.
Vewin heeft in reconventie gevorderd HWS te gebieden de in productie 4 bij
conclusie van eis in reconventie genoemde uitlatingen in de brochure en op de
website van HWS, betrekking hebbend op de kwaliteit van het leidingwater in
Nederland, te staken. Volgens Vewin zijn deze uitlatingen in strijd met de
artikelen 6:194 en 194a BW omtrent misleidende reclame; zij beroept zich
subsidiair op onrechtmatige daad.
2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen in conventie
gedeeltelijk toegewezen. Vewin en Vitens zijn hoofdelijk veroordeeld om aan
HWS te vergoeden de door hen, als gevolg van hun in de rechtsoverwegingen
3.6.6. en 3.6.7. van het vonnis vermelde onrechtmatig handelen, veroorzaakte
schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2003; de overige
(hoofd)vorderingen van HWS zijn afgewezen. De vorderin-gen van Vewin in
reconventie zijn afgewezen. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats
overwogen dat Vewin zich niet met succes kan beroepen op de artikelen 6:194
en 194a BW, onder meer omdat HWS voor de door Vewin vertegenwoordigde
waterleidingbedrijven geen concurrent is op de markt voor de
drinkwatervoorziening. In de tweede plaats heeft de rechtbank overwogen dat
Vewin in het kader van haar (subsidiaire) beroep op onrechtmatige daad niets
substantieels heeft gesteld omtrent beschadiging van de reputatie van haar
leden als gevolg van, bijvoorbeeld, beschul-digingen dat zij bewust onjuiste
informatie verspreiden of juiste informatie achter-houden.
3. Bij de beoordeling in hoger beroep gaat ook het hof uit van de in het
vonnis onder 1.1. tot en met 1.27. als vaststaand aangemerkte feiten, nu deze
op zichzelf niet zijn bestreden. Vitens en Vewin betogen in hun beider grief
1 weliswaar dat deze selectie van de feiten te beperkt is, maar zij
bestrijden niet de juistheid van de in het vonnis genoemde feiten. Op hetgeen
Vewin en Vitens voorts in het kader van hun eerste grief naar voren brengen
zal het hof, zonodig, hierna terugkomen. Reeds thans wordt echter opgemerkt
dat veel van de door Vitens en Vewin genoemde thema’s niet kunnen worden
aangemerkt als tussen partijen vaststaande feiten. Grief 1 van Vitens en
Vewin kan op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis leiden. Aan de in
het vonnis genoemde feiten kan thans nog worden toegevoegd dat bij
beschikking van dit hof van 11 november 2008, zaaknummer 200.009.518/01, het
verzoek van HWS om een voorlopig getuigenverhoor te houden is afgewezen.
De vorderingen van HWS jegens Vitens en Vewin
4. Het hof zal allereerst de vorderingen van HWS jegens Vitens en Vewin
behandelen. Daarbij gaat het in hoger beroep, nu HWS geen incidenteel appèl
heeft ingesteld tegen de overwegingen van de rechtbank onder 3.6.4. van het
vonnis ten aanzien van de uitzending van het RTL-4 journaal en tegen de
beperking in het dictum tot het in de rechtsoverwegingen 3.6.6. en 3.6.7.
vermelde onrechtmatig handelen, uitsluitend om (i) de gedragingen van Vewin
zoals vermeld onder 3.6.6. van het vonnis (de brief aan Ahold van 15 april
2003) en (ii) de gedragingen van Vitens zoals vermeld onder 3.6.7. (en 1.17.
en 1.19.) van het vonnis (de uitlatingen van de directeur van Vitens, zoals
weergegeven in de Volkskrant van 15 april 2003, het Noordhollands Dagblad van
16 april 2003, de Apeldoornse Courant van diezelfde datum, het Haarlems
Dagblad van 17 april 2003 en De Gelderlander van diezelfde datum). Tegen de
afwijzing van de vordering tot betaling van een voorschot op de
schadevergoeding is HWS in hoger beroep niet opgekomen; datzelfde geldt voor
de afwijzing van de gevorderde verklaring voor recht.
5. De grieven van Vitens en Vewin zullen, voor zover mogelijk, gezamenlijk
worden behandeld, nu zij, met inachtneming van de hiervoor onder 4 genoemde
beperkingen,
het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voorleggen.
6. Ten aanzien van de brief van Vewin aan Ahold van 15 april 2003 verenigt
het hof zich met het oordeel van de rechtbank onder 3.6.5. en 3.6.6. van het
vonnis. Het hof voegt aan de overwegingen van de rechtbank, die deze
grotendeels (behoudens voor zover hierna anders aangegeven) tot de zijne
maakt, nog het volgende toe.
In de brief schrijft Vewin allereerst dat zij bezwaar heeft tegen de inhoud
en toon van de website van HWS. Het stond Vewin vrij haar kritiek daarop aan
Ahold, die actief was betrokken bij de verhandeling van Zero-water, mee te
delen. In de brief worden echter ook “twijfels” geuit over het product
Zero-water. Daarbij wordt, zonder voorbehoud of verduidelijking, verwezen
naar door de watersector uitgevoerd onderzoek. Vast staat echter dat Vewin op
dat moment slechts over zeer voorlopige en beperkte gegevens, afkomstig van
slechts één monster, beschikte. Vewin heeft nadien een uitgebreider onderzoek
laten verrichten door Tauw B.V., waarvan de resultaten pas op 23 juni 2003
(productie 21 bij CvD/CvR in eerste aanleg) beschikbaar werden. HWS heeft
voorts onweersproken naar voren gebracht dat het door Vewin geëntameerde
onderzoek in wezen irrelevant en misleidend was, omdat het ten onrechte een
beoordeling behelsde aan de hand van de criteria van het Waterleidingbesluit
en niet een beoordeling op grond van de Warenwet/verpakte waters (bedoeld zal
zijn het Warenwetbesluit Verpakte waters). Volgens HWS dient Zero-water, net
als ander verpakt water (zoals Spa-water), alleen op grond van laatstgenoemde
regels beoordeeld te worden. Ook deze omstandigheid kleurt de
onzorgvuldigheid van de brief. In de brief wordt meegedeeld dat bij het
onderzoek “onderschrijdingen” ten opzichte van de wettelijke eisen die aan
drinkwater worden gesteld zijn gevonden voor waterstofcarbonaat en de totale
hardheid. De brief suggereert daarmee dat Zero-water niet aan de wettelijke
eisen voldoet, terwijl de eisen van het Waterleidingbesluit slechts gelden
voor leidingwater en niet voor verpakt water. Volgens de brief komt de
samenstelling van Zero-water in de buurt van die van gedemineraliseerd water,
“in de praktijk vaak gebruikt voor vullen van accu of stoomstrijkijzer”.
Alhoewel het op zich zelf feitelijk niet onjuist is dat accu’s en
stoomstrijkijzers gevuld worden met gedemineraliseerd water en dat Zero-water
weinig mineralen bevat (evenals, bijvoorbeeld, Spa blauw), wordt in de brief
de
indruk gewekt dat Zero-water van inferieure kwaliteit is en lijkt op (niet
voor menselijke consumptie geschikt) gedemineraliseerd water. Ook de passage,
waarin is vermeld dat de waarden van een aantal parameters zoals koper, zink
en lood vele malen hoger zijn dan gebruikelijk is voor kraanwater en dat het
waterfilter van HWS blijkbaar ook stoffen toevoegt, zonder daarbij uitdrukkelijk
te vermelden dat het slechts om een enkel monster ging en dat de gevonden
waarden de wettelijke drempels niet overschreden, suggereert dat Zero-water
van slechte kwaliteit is en schadelijk voor de volksgezondheid. Dit geldt ook
voor de niet nader toegelichte bewering dat de bacteriologische
betrouwbaarheid “opvallende resultaten” oplevert. Vewin heeft de rechten van
HWS onvoldoende gerespecteerd en het recht op vrijheid van meningsuiting van
Vewin, onder meer beschermd door artikel 10 lid 1 EVRM, dient in de
omstandigheden van dit geval beperkt te worden ter bescherming van de rechten
van HWS.
7. Ook indien, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen sprake zou zijn
geweest van een doelbewuste poging om Ahold ertoe te bewegen Zero-water van
de schappen van haar supermarkten te halen, had Vewin zich dienen te
realiseren dat haar brief, mede gelet op haar maatschappelijke positie,
redelijkerwijs tot dit gevolg zou kunnen leiden en dat de recent door Ahold
en HWS gestarte promotiecampagne voor Zero-water daarmee zou kunnen
mislukken. De passage in de brief dat het Albert Heijn op de vrije markt van
vraag en aanbod uiteraard vrij staat om Zero-water aan te bieden, doet niet
af aan de daaraan voorafgaande negatieve kwalificaties van Zero-water en aan
de daarop volgende uitgesproken verbijstering, dat juist Albert Heijn dit
dubieus gepromote product in zijn winkels verkoopt.
8. Het hof acht het bij de beoordeling niet van wezenlijk belang dat Vewin,
zoals zij stelt, met haar brief slechts heeft gereageerd op uitlatingen van
HWS over de kwaliteit van het leidingwater in Nederland. Ook indien de brief
van Vewin geduid wordt als een reactie op uitlatingen van HWS geldt dat Vewin
met haar brief aan Ahold heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het
maatschappelijk verkeer betamelijk is. Voorts acht het hof, anders dan
overwogen in het vonnis onder 3.6.5., voor de beoordeling niet van wezenlijk
belang dat het wettelijk toezicht
op de kwaliteit van het leidingwater en van het verpakt water niet berust bij
de waterleidingbedrijven.
9. Aan de onrechtmatigheid doet niet af dat Vewin, na sommatie daartoe van de
zijde van HWS, haar brief van 15 april 2003 heeft gecorrigeerd bij brief van
29 april 2003. Zoals ook de rechtbank onder 3.6.6. van het vonnis heeft
overwogen, heeft Vewin weliswaar met haar brief van 29 april 2003 geprobeerd
de suggestie weg te nemen dat het product schadelijk is voor de
volksgezondheid, maar heeft zij deze indruk eerder, op een moment waarop HWS
daarvoor bijzonder kwetsbaar was, zelf gewekt. De mogelijke negatieve
gevolgen van de brief van 15 april 2003, geschreven midden in de
promotiecampagne van Zero-water bij Albert Heijn, worden niet ongedaan
gemaakt door de brief van 29 april 2003.
10. Ook verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank onder 3.6.5.
en 3.6.7. van het vonnis, dat Vitens door de genoemde uitlatingen van haar
directeur in de pers jegens HWS onrechtmatig heeft gehandeld. De in deze
uitlatingen gebezigde kwalificaties als “ketelwater”, “accuwater” en
“strijkijzerwater” suggereren, in de context waarin zij zijn gedaan, dat
Zero-water niet voor menselijke consumptie geschikt is, terwijl daarvoor geen
feitelijke basis bestond. De uitlatingen in de regionale pers suggereren
bovendien, ten onrechte, dat Zero-water meer metalen en minder mineralen
bevat dan wettelijk voorgeschreven. Mede gelet op de maatschappelijke positie
van Vitens had haar directeur zich dienen te onthouden van deze onjuiste en
negatieve kwalificaties. Het was voor Vitens voorzienbaar dat deze uitlatingen
de reputatie van het product van HWS ernstig zouden kunnen schaden. Ook hier
geldt dat de rechten van HWS onvoldoende zijn gerespecteerd en dat het recht
op vrijheid van meningsuiting in de omstandigheden van dit geval beperkt
dient te worden ter bescherming van de rechten van HWS.
11. Aan hetgeen hiervoor is overwogen doet niet af dat het feitelijk niet
onjuist is
dat Zero-water, evenals gedemineraliseerd water, geschikt is om gebruikt te
worden in huishoudelijke apparaten zoals strijkijzers, zoals overigens ook is
vermeld in de brochure en op de website van HWS. Het is immers de context die
de betekenis
van de uitlatingen bepaalt.
12. Vitens heeft aangevoerd dat de artikelen in de pers geen exacte en
volledige weergave zijn van de uitlatingen van haar directeur tijdens de
interviews. Ten aanzien van de door de rechtbank en het hof onrechtmatig
bevonden uitlatingen
heeft Vitens echter niet concreet aangegeven in welk opzicht de weergave in
de krantenartikelen vertekend is. Dit laatste geldt niet voor de in het
artikel in de Volkskrant vermelde kwalificatie “volksverlakkerij”. Vitens
heeft gemotiveerd naar voren gebracht dat deze term afkomstig was van de
journalist en haar niet kan worden toegerekend. Bij de beoordeling heeft het
hof deze uitlating buiten beschouwing gelaten. Opgemerkt wordt nog dat Vitens
kennelijk geen aanleiding heeft gezien om de berichtgeving in de kranten te
nuanceren of te rectificeren.
13. Gelet op het oordeel omtrent de onrechtmatigheid van het handelen van
Vitens en Vewin acht het hof het voor de beslissing in deze zaak niet (meer)
van belang om te onderzoeken of, zoals door HWS wordt gesteld maar door
Vitens en Vewin wordt betwist, Vitens en Vewin jegens HWS hebben
samengespannen en in dat kader onder meer het initiatief hebben genomen om de
pers te benaderen. Aan het daarop betrekking hebbende bewijsaanbod van HWS
wordt daarom voorbij gegaan.
14. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het handelen van Vitens
en Vewin (mogelijk) geleid heeft tot schade aan de zijde van HWS. In haar
e-mail van 23 april 2003, aangehaald in het vonnis van de
voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem van 11 juli 2003 (productie
16 bij de inleidende dagvaarding) onder 2.1., heeft Ahold aan HWS het
volgende geschreven:
“De recente perspublicaties zetten AH in een dusdanig negatief daglicht, dat
besloten is de evaluatieperiode per direct te beëindigen en per week 22 de
tussen Albert Heijn en HWS gesloten overeenkomst te beëindigen. Enerzijds
vanwege alle negatieve publiciteit, hetgeen schade heeft toegebracht (en
toebrengt) aan de reputatie van Albert Heijn. Anderzijds vanwege het te lage
omzetpeil en de verwachting dat, gezien de ontstane commotie, het omzetpeil
niet zal verbeteren, althans niet dusdanig dat het overeengekomen minimum zal
worden gehaald. Een
en ander houdt in dat met ingang van week 22 gestopt zal worden met de Zero
watertap in de 26 winkels van AH.”
15. Partijen hebben uitvoerig gedebatteerd over de vraag welke feiten en
omstandigheden precies ten grondslag hebben gelegen aan het besluit van Ahold
om de overeenkomst met HWS te beëindigen. Zo voeren Vitens en Vewin aan dat
(uitsluitend) de tegenvallende verkoopresultaten van Zero-water de aanleiding
waren en dat, voor wat betreft de gestelde reputatieschade van Albert Heijn,
vooral de (hoge) prijsstelling van Zero-water een rol heeft gespeeld. Voorts
wijzen Vitens
en Vewin op andere negatieve berichten over Zero-water, onder meer van de
Consumentenbond. Vewin heeft met het oog op de nadere onderbouwing van deze
stellingen in het incident ex artikel 843a Rv overlegging gevorderd van de
stukken van de procedure tussen HWS en Albert Heijn, die geleid heeft tot het
vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem van 11 juli
2003. Deze vordering is door het hof afgewezen. Uit de hiervoor aangehaalde
e-mail van 23 april 2003, waarvan de inhoud niet is betwist, kan echter
worden afgeleid dat “alle negatieve publiciteit” en “de ontstane commotie”,
naast “het te lage omzetpeil”, voor Ahold de aanleiding zijn geweest. Voor
toewijzing van een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat is
voldoende dat de mogelijkheid dat schade is geleden (geheel of mede) ten
gevolge van het onrechtmatig beoordeelde handelen van Vitens en Vewin
aannemelijk is. Aan die voorwaarde is, gelet op hetgeen hiervoor is
overwogen, voldaan. Dit brengt mee dat de vraag in hoeverre schade is
ontstaan door het handelen van Vitens en Vewin, evenals de kwestie van de
begroting van de schade, in de schadestaat-procedure (nader) aan de orde kan
komen.
16. In aansluiting op hetgeen hiervoor onder 8 is opgemerkt overweegt het hof
dat, ook indien de handelingen van Vitens en Vewin geduid worden als een
reactie op de uitlatingen van HWS, niet kan worden geoordeeld dat de gestelde
schade van HWS mede een gevolg is van een omstandigheid die aan HWS kan
worden toegerekend en HWS daarom “eigen schuld” heeft. Vetens en Vewin hadden
immers op een andere, meer genuanceerde wijze op de uitlatingen van HWS
kunnen reageren.
17. Al hetgeen overigens door partijen over en weer is aangevoerd behoeft, na
het voorgaande, geen bespreking meer. Aan de (overige) bewijsaanbiedingen van
partijen wordt voorbij gegaan, nu deze niet meer ter zake dienende zijn dan
wel onvoldoende gesubstantieerd of gespecificeerd.
18. Uit het voorgaande vloeit voort dat de grieven van Vitens en Vewin, voor
zover zij betrekking hebben op het vonnis in conventie, niet slagen. Het
vonnis
in conventie zal worden bekrachtigd, ook ten aanzien van de hoofdelijke
veroordeling, nu voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6: 102 lid 1 BW.
De vorderingen van Vewin jegens HWS
19. Het hof overweegt ten aanzien van het geding tussen Vewin en HWS
allereerst dat Vitens, zoals zij overigens ook zelf opmerkt, daarin geen
partij is. Dit brengt
mee dat Vitens niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, voor zover gericht
tegen
de overwegingen in het vonnis omtrent de vorderingen van Vewin jegens HWS.
Het gaat daarbij om de grieven 2, 3 en 4 van Vitens. Dit geldt niet voor
grief 10, waarin Vitens terecht bezwaar maakt tegen haar veroordeling in het
vonnis ook
in de proceskosten van de reconventie, waarin zij geen partij was. Grief 10
van
Vitens slaagt derhalve en het vonnis zal op dit onderdeel worden vernietigd.
20. Grief 2 van Vewin is gericht tegen de overweging onder 3.2. van het
vonnis dat Vewin zich niet met succes kan beroepen op de artikelen 6:194 en
194a BW. Deze grief slaagt in zoverre. Anders dan de rechtbank is het hof van
oordeel dat het feit, dat Zero-water in die zin niet concurreert met
leidingwater dat de afzet van Zero-water de afzet van leidingwater (waaruit
Zero-water wordt bereid) niet nadelig beïnvloedt, geen belemmering vormt voor
Vewin om zich op de genoemde wets-bepalingen te beroepen. Uit de
wetsgeschiedenis blijkt dat het begrip “concurrent” in deze samenhang ruim
dient te worden opgevat (Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 619, nr.3,
blz. 14). De drinkwaterbedrijven en HWS zijn alle actief op de markt van
drinkwater en in zoverre zijn zij concurrenten. Vewin behartigt de belangen
van de Nederlandse drinkwaterbedrijven en kan uit dien hoofde op grond van de
genoemde wetsbepalingen ageren tegen de door haar gestelde misleidende
reclame van HWS omtrent de kwaliteit van het leidingwater.
21. Het hof zal de overige grieven van Vewin grotendeels gezamenlijk
behandelen.
22. Vewin vordert onder meer HWS te gebieden de in productie 4 bij haar
conclusie van eis in reconventie genoemde uitlatingen te staken. De genoemde
productie vormt een document van 73 bladzijden, waarin tientallen uitlatingen
van HWS worden vermeld en geanalyseerd. Het hof acht het niet nodig om iedere
uitlating afzonderlijk te beoordelen. Daarom zal volstaan worden met een
beoordeling van die uitlatingen in hun totaliteit. Het gaat daarbij om uitlatingen
van HWS in haar brochure, die onder meer is verspreid als bijlage bij het
blad Allerhande van april 2003, en om uitlatingen op de website van HWS,
www.zero-water.com. Volgens Vewin wekken deze uitlatingen ten onrechte de
suggestie dat aan het drinken van leidingwater gezondheidsrisico’s zouden
kleven.
23. In de brochure (productie 18 bij de inleidende dagvaarding) is allereerst
vermeld dat de kwaliteit van het drinkwater in Nederland in het algemeen goed
is. Daaraan wordt vervolgens toegevoegd dat het water (soms dagelijks) van
kwaliteit wisselt. Voorts is vermeld dat er volgens de wet nog bepaalde
geringe hoeveelheden ongewenste stoffen (zoals chloorverbindingen, nitraat,
bestrijdingsmiddelen e.d.) in het leidingwater mogen zitten, niet omdat die stoffen
in het drinkwater thuishoren, maar omdat men gelooft dat de hoeveelheden zo
gering zijn dat dit (ook op den duur) niet schadelijk is voor de gezondheid.
Vervolgens vermeldt de brochure dat de Wereld Gezondheidsorganisatie (WGO)
toch aanbeveelt om - indien mogelijk- alle ongewenste stoffen uit het
drinkwater te verwijderen of tot een minimum te beperken; de reden hiervoor
is dat ook de wetenschap niet precies weet wat al die stoffen op den duur
voor effect op het lichaam hebben. Volgens de brochure is bij dieren
aangetoond dat deze stoffen tot gedragsstoornissen, onvruchtbaarheid,
allergieën, geboorte-defecten en zo meer kunnen leiden, blijkt uit recente
studies dat hormoonverstorende stoffen in de prenatale fase het speelgedrag
van schoolgaande jongens en meisjes van 7 jaar beïnvloedt en wordt vermoed
dat de toenemende gevoeligheid van mensen voor allergieën te maken kan hebben
met de toename van lichaamsvreemde stoffen in ons milieu. Vervolgens is
vermeld dat niemand op de wereld met zekerheid weet welk effect de combinatie
van verschillende chemicaliën - zelfs in minimale hoeveelheden - op onze
gezondheid kan hebben. Volgens de brochure blijkt uit een rapport van de TU
Delft dat met het systeem van HWS restanten van bestrijdingsmiddelen vrijwel
geheel uit het water worden gehaald.
De brochure prijst Zero-water aan om koffie en thee mee te zetten en bevat
enkele reacties van gebruikers, die gemerkt hebben dat Zero-water problemen
van baby’s, zoals huilen, maagkrampjes en allergieën doet verminderen of zelfs
verdwijnen.
24. Het hof acht deze uitlatingen niet onrechtmatig, noch op grond van de
artikelen 6:194 en 194a BW, noch op grond van artikel 6:162 BW. Globaal
beschouwd wordt in de brochure voorop gesteld dat de kwaliteit van het
drinkwater in Nederland in het algemeen goed is. Vervolgens wordt beschreven
dat er niettemin ongewenste stoffen in het drinkwater voorkomen, dat de
gevolgen daarvan op langere termijn onzeker zijn, dat de WGO aanbeveelt het
drinkwater verder te zuiveren en dat er aanwijzin-gen bestaan dat deze
stoffen gezondheidsrisico’s meebrengen. HWS geeft daarmee een behoorlijk en
niet onjuist beeld van de wetenschappelijke discussies en twijfels omtrent de
mogelijke effecten voor de volksgezondheid van deze stoffen in het
leidingwater. Niet kan worden geoordeeld dat deze uitlatingen ten onrechte
suggereren dat aan het drinken van leidingwater mogelijk gezondheidsrisico’s
kleven. In dit verband heeft HWS er terecht op gewezen dat blijkens de
rapporten ”Inventarisatie en toxicologische evaluatie van organische
microverontreinigingen” van RIWA uit 1995 en 2000 (onder meer overgelegd als
productie 21 bij conclusie van repliek) ook in de kringen van de
waterleidingbedrijven aandacht bestaat voor het probleem, dat zowel in het
oppervlaktewater als in het daaruit bereide drinkwater ongewenste, mogelijk
mutagene en carcinogene stoffen voorkomen en dat een juiste inschatting van
de gezondheidskundige risico’s voor de drinkwaterconsument op basis van de
huidige inzichten nog niet duidelijk is te geven. In de publicatie
“Drinkwaterbronnen moeten nu beschermd” van 23 juni 1989 (productie A 1 bij
memorie van antwoord van HWS) merkt Vewin zelf op dat de belasting van het
milieu zorgwekkend is, dat waterleidingbedrijven al decennia worden
geconfronteerd met rivieren en meren die overmatig worden belast met
afvalstoffen, dat van de duizenden geloosde stoffen van vele door gebrek aan
analysemethoden zelfs de aanwezigheid niet kan worden aangetoond en dat de
waterleidingbedrijven niet altijd de zekerheid hebben dat zij in hun
zuiveringsprocessen deze stoffen volledig uit het water verwijderen. Uit
persberichten naar aanleiding van de ingebruikname van een nieuwe
waterzuiveringsinstallatie van PWN in oktober 2004 (producties 24 bij
conclusie van repliek) klinkt de zorg van de leidingwaterbedrijven door dat
de vervuiling van het oppervlaktewater met name door restanten van
bestrijdings-middelen en medicijnen mogelijk bedreigend is voor de
gezondheid. Ook in wetenschappelijke kringen wordt betoogd, zoals blijkt uit
het artikel van prof. J.H. Kop in H2O van 17 december 2004 (productie 33 bij
akte van HWS van 11 mei 2005) dat, zolang geen absolute nulwaarde wordt
gesteld voor mensvijandige stoffen in het water, niet kan worden gezegd dat
het leidingwater van uitstekende kwaliteit is. In een persbericht van 8
november 2007 ten aanzien van een proefschrift van T. de Mes (productie A6
bij MvA) is als diens conclusie vermeld: “We zullen onze manier van zuiveren
radicaal moeten veranderen” en is verwezen naar een recent RIVM-rapport,
waarin staat dat er reeds nu sporen van oestrogeen, antidepressiva en
medicijnen tegen epilepsie in het drinkwater zitten.
Aan het voorgaande doet niet af dat de wetgever in Nederland ervoor heeft
gekozen om het leidingwater veilig te achten zolang het voldoet aan de
huidige normen van het Waterleidingbesluit, en evenmin dat volgens jaarlijkse
rapporten van het RIVM, getiteld “De kwaliteit van het drinkwater in
Nederland” (productie 16 bij CvA/CvE en productie 24 bij CvD/CvR), uit de
gegevens blijkt dat de wettelijke voorschriften met betrekking tot de
controle van het drinkwater goed zijn nageleefd, dat geen van de
normoverschrijdingen aanleiding gaf tot een bedreiging van de volksgezondheid
en dat de kwaliteit van het drinkwater in het algemeen goed is. De
wetenschappelijke beoordeling van de mogelijke gezondheidsrisico’s van de
genoemde stoffen is een zeer complexe en controversiële materie; datzelfde
geldt voor de beleidsmatige keuzes die gemaakt worden ten aanzien van de aan
het drinkwater, meer in het bijzonder het leidingwater, te stellen eisen.
Mede gegeven het complexe en controversiële karakter van de wetenschappelijke
en beleidsmatige discussies kan
aan HWS niet het recht worden ontzegd om te wijzen op de zorg voor mogelijke
risico’s van het drinken van leidingwater. In de omstandigheden van dit geval
acht het hof een beperking van het mede door artikel 10 lid 1 EVRM
gewaarborgde recht op vrije meningsuiting, dat zich ook uitstrekt tot
reclame-uitingen, dan ook niet gerechtvaardigd. Bij dit oordeel betrekt het
hof ook het feit dat HWS zich, blijkens haar correspondentie met Vewin in
april 2003 (aangehaald in het vonnis onder 1.10 tot en met 1.14) bereid heeft
verklaard tot overleg over de inhoud van haar brochure en website. Vewin heeft
echter niet gereageerd op het verzoek van HWS om concreet aan te geven tegen
welke uitingen zij bezwaar had, maar zij verlangde de onmiddel-lijke sluiting
van de website en verwijdering van de brochure.
25. De website van HWS (waarvan een uitdraai is overgelegd als productie 2
bij conclusie van antwoord/conclusie van eis) biedt allereerst informatie
over Zero-water, in nagenoeg gelijke bewoordingen als de hiervoor genoemde
brochure.
De site geeft voorts informatie over de meetgegevens van enkele Nederlandse
leidingwaterbedrijven. Daarbij wordt steeds voorop gesteld dat “de
aanwezigheid van verontreinigingen in het drinkwater niet noodzakelijkerwijze
betekent dat het drinkwater gezondheidsrisico’s met zich meebrengt”. Er kan
worden “doorgeklikt” naar informatie over de herkomst en mogelijke
gezondheidsrisico’s van de aangetroffen stoffen. Op de website wordt voorts
informatie gegeven over de missie van HWS. Kort gezegd is HWS van mening dat
met het huidige systeem van drinkwatervoorziening niet kan worden gegarandeerd
dat het drinkwater geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Op de website
is kritiek van HWS geformuleerd op de wijze waarop de leidingwaterbedrijven
het publiek voorlichten. Op de site zijn voorts krantenartikelen over
Zero-water te vinden en parlementaire stukken over drinkwater, alsmede het
commentaar daarop van HWS.
26. De website is veel omvangrijker dan de brochure. Op onderdelen is de
website stelliger en, met name ten aanzien van de beschrijving van de
mogelijke gezondheidsrisico’s van de vermelde stoffen, meer indringend dan de
brochure. Aan Vewin kan worden toegegeven dat HWS duidelijker tot uitdrukking
kan brengen dat de mogelijke gezondheidsrisico’s van stoffen mede afhankelijk
zijn van de doses en de duur van de blootstelling. Uiteindelijk acht het hof
echter, evenals de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage in
zijn vonnis van
13 oktober 2003 (productie 17 bij de inleidende dagvaarding), ook de
uitlatingen op de website, in het licht van de hiervoor onder 24 genoemde
overwegingen, niet onrechtmatig jegens Vewin, noch op grond van de artikelen
6:194 en 194a BW, noch op grond van artikel 6:162 BW. Ook het hof is van
oordeel dat een gemiddeld omzichtige en oplettende consument bij raadpleging
van de site van HWS niet wordt misleid. Het hof gaat in zoverre voorbij aan
de bevindingen van het door Vewin (als productie B bij gelegenheid van het
pleidooi) in geding gebrachte marktonderzoek; deze bevindingen zijn overigens
door HWS gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van de website van HWS oordeelt
het hof dat een beperking van het mede door artikel 10 lid 1 EVRM
gewaarborgde recht op vrije meningsuiting niet gerechtvaardigd is.
27. Tijdens het pleidooi heeft Vewin nog aangestipt dat de uitlatingen van
HWS in strijd zijn met de Verordening op de voedings- en gezondheidsclaims
voor levensmiddelen, die in juli 2008 in werking is getreden. Vewin heeft
deze verordening niet nader omschreven (bedoeld is wellicht Verordening (EG)
nr. 1924/2006) en geanalyseerd. Wat daar verder ook van zij, aan deze nieuwe
grondslag voor vernietiging van het vonnis of, met andere woorden, nieuwe
grief wordt voorbij gegaan, nu zij te laat naar voren is gebracht en de
wederpartij niet ondubbelzinnig heeft ingestemd met de behandeling van deze
grief.
28. Grief 4 van Vewin richt zich gedeeltelijk tegen enkele overwegingen ten
overvloede in het vonnis onder 3.5. en kan reeds daarom niet leiden tot
vernietiging van het vonnis.
29. Al hetgeen overigens door partijen over en weer is aangevoerd behoeft, na
het voorgaande, geen behandeling meer. Aan de bewijsaanbiedingen van partijen
wordt
voorbij gegaan, nu deze niet meer ter zake dienende zijn dan wel onvoldoende
gesubstantieerd of gespecificeerd.
30. De grieven van Vewin, gericht tegen de afwijzing van haar vorderingen
jegens HWS, slagen niet. Het vonnis in reconventie zal worden bekrachtigd,
behalve voor wat betreft de proceskostenveroordeling van Vitens.
Slotsom
31. De slotsom luidt dat Vitens in haar hoger beroep gedeeltelijk
niet-ontvankelijk zal worden verklaard, dat de grieven van Vitens en Vewin
niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden, met
uitzondering van grief 10 van Vitens, en
dat het vonnis in conventie en reconventie zal worden bekrachtigd, behalve
voor wat betreft de veroordeling van Vitens in de proceskosten in
reconventie. Vitens en Vewin zullen, als de (grotendeels) in het ongelijk
gestelde partijen, veroordeeld worden in de proceskosten van het hoger
beroep. Het hof gaat er daarbij van uit dat door partijen in de zaak
105.005.608/01 (Vitens/HWS) aan griffiegeld een bedrag van € 296,-- is
betaald, terwijl door partijen in de zaak 105.005.783/01 (Vewin/ HWS) aan
griffiegeld een bedrag van € 5.834,-- is betaald. Voor wat betreft het
salaris zal het hof in beide zaken tarief II van het liquidatietarief
toepassen.
Beslissing
Het hof:
in de zaak met nummer 105.005.608/01 (Vitens/HWS)
- verklaart Vitens niet-ontvankelijk in haar hoger beroep, voor zover gericht
tegen de overwegingen in het bestreden vonnis omtrent de vorderingen van
Vewin jegens HWS;
- vernietigt het bestreden vonnis, doch slechts voor wat betreft de
veroordeling van Vitens in de proceskosten in reconventie;
en in zoverre opnieuw rechtdoende
- veroordeelt Vewin in de proceskosten in reconventie, welke tot aan het
bestreden vonnis aan de zijde van HWS worden begroot op € 904,-- aan salaris;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- veroordeelt Vitens in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde
van HWS
gerezen en tot aan deze uitspraak begroot op € 296,-- aan verschotten en €
2.682,--
voor salaris;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak met nummer 105.005.783/01 (Vewin/HWS)
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt Vewin in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van
HWS
gerezen en tot aan deze uitspraak begroot op € 5.834,-- aan verschotten en €
2.682,--
voor salaris;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.A.J. van Lierop, J. van Schellen en
H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april
2009,
in aanwezigheid van de griffier.
|