Geen bewijs, geen risico?
|
In de loop der tijd is een gedragscode ontstaan (tussen producenten, bestuurders, experts en controle instanties) waarbij bij de consument de indruk wordt gewekt dat een product veilig is voor de gezondheid totdat het tegendeel is bewezen.
HWS is van mening dat het misleidend en onzorgvuldig is om bij de consument de indruk te wekken dat een stof - of een combinatie van stoffen - veilig is terwijl hieromtrent onzekerheid bestaat of zelfs op grond van dier- of andere proeven aanwijzingen van schadelijkheid bestaan.
HWS is van mening dat de consument in de gelegenheid moet worden gesteld om kennis te nemen van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht omtrent eventuele schadelijkheid van stoffen (bijv informatie t.a.v. dierproeven).
|
Rapport Commissie Philips/ BSE
Het rapport van de Commissie Philips over de Britse BSE crisis (oktober 2000) bevat het volgende voorbeeld (bron: NRC, vrijdag 21 oktober 2000).
In mei 1990 ontdekten onderzoekers van de universiteit van Bristol een BSE-achtige ziekte bij een kat.
Dat was een aanwijzing voor de potentiële overdraagbaarheid van de 'gekke koeien ziekte', mogelijk ook op mensen - een risico dat door het bevoegd gezag categorisch was genegeerd.
In plaats van dit serieus te nemen hield de landbouw minister Gummer vol dat men Brits rundvlees veilig kon eten (…). Deze poppenkast werd vervolgens zes jaar lang volgehouden.
Ondertussen stapelden wetenschappelijke aanwijzingen zich op voor de overdraagbaarheid van de gekkenkoeienziekte op mensen. Maar die informatie bereikte het publiek niet.
Bij elke gelegenheid waarbij openlijke bezorgdheid rees over BSE reageerde men met het zelfde refrein: Er is geen bewijs dat BSE overdraagbaar is op mensen. Het eten van rundvlees is veilig.
De bevolking is nooit verteld dat de perceptie van het risico was veranderd.
Een van de conclusies van de commissie Phillips is dat de overheid de neiging moet weerstaan om te doen alsof zij
in een situatie van onzekerheid overal een antwoord op heeft ( ). Openheid is de enige juiste benadering, ook in het belang van de geloofwaardigheid van de autoriteiten.
Momenteel bevinden zich hormoonontregelende stoffen, geneesmiddelen, metabolieten van bestrijdingsmiddelen in drinkwater. Er is geen wetenschappelijk instituut ter wereld dat weet wat de lange termijn gevolgen zijn voor de mens en zijn nageslacht bij blootstelling aan deze stoffen laat staan bij de blootstelling aan een combinatie van die stoffen te samen.
Het is onzorgvuldig van producenten, bestuurders, controle instanties en andere kennisdragers om bij het publiek de indruk te wekken dat 'geen kennis of bewijs' gelijk is aan 'geen nadelig effect op de gezondheid'.
Voor de geneesmiddelenvoorziening zijn wettelijke regels opgesteld ter bescherming van de gezondheid (zoals met betrekking tot etiquettering en inrichting van bijsluiters). Drinkwaterbedrijven zouden tenminste aan deze regelgeving moeten worden gehouden. Indien zich overigens geneesmiddelen in het drinkwater bevinden doet zich de vraag voor of op grond van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening een registratieverplichting bestaat alsmede een waarschuwingsplicht op grond van de regels voor bijsluiters dat bepaalde lange termijn effecten onbekend zijn. In het 'Fluor arrest' van de Hoge Raad uit 1973 werd bepaald dat het toevoegen van een medicijn (fluor) aan het drinkwater van een zo ingrijpende aard was dat zonder wettelijke grondslag niet kan worden aangenomen dat een waterleidingbedrijf daartoe bij de vervulling van de hem in artikel 4 lid 1 van de Wet opgedragen taak de vrijheid heeft.