Achtergrond informatie
VORIG / DEELONDERWERPEN / HOME / GROOT SCHERM

Resultaatsverplichting

De in de Waterleidingwet neergelegde verplichting om deugdelijk water aan de consument af te leveren heeft niet het karakter van een 'inspanningsverplichting' (waarbij het voldoende is dat de waterleidingbedrijven hebben gedaan wat in hun vermogen ligt om deugdelijk water ter beschikking te stellen), doch een 'resultaatsverplichting': waterleidingbedrijven moeten op ieder moment en onder alle omstandigheden deugdelijk water ter beschikking stellen aan de consument. Dit volgt uit de wet.

Levering deugdelijk drinkwater
Artikel 4 van de Waterleidingwet (WLW): het waterleidingbedrijf is gehouden zorg te dragen dat de levering van deugdelijk drinkwater aan de gebruikers in zijn distributiegebied is gewaarborgd.

Geen eigenschappen die voor gezondheid nadelig kunnen zijn
Tot voorkort mocht krachtens artikel 4 van het Waterleidingbesluit (WLB) het waterleidingbedrijf geen drinkwater aan anderen ter beschikking stellen, 'met eigenschappen waardoor het voor de gezondheid nadelig kan zijn'. De tekst van het waterleidingbesluit is sedert kort aangepast doch de strekking komt op hetzelfde neer.

Begin jaren '70 wilden drinkwaterbedrijven fluor aan het leidingwater toevoegen. Dit om tandcariës tegen te gaan. Wetenschappelijk onderzoek had uitgewezen dat fluor ongevaarlijk was. Op grond van artikel 4 stelde de Hoge Raad dat indien water met fluor erin zou worden afgeleverd dit in strijd zou zijn met de deugdelijkheid die de wet vereist. [Overigens zijn er inmiddels gegevens bekend uit Amerikaans onderzoek waaruit blijkt dat gefluorideerd drinkwater de kankersterfte in 5 jaar tijd met 10% doet toenemen.

Op basis van - dan wel naar analogie van - het arrest van de Hoge Raad uit 1973 zou gezien de vele stoffen (inclusief 58 kankerverwekkende stoffen) die blijkens de RIWA rapporten de zuiveringssystemen kunnen passeren gesteld kunnen worden: Het niet door waterleidingbedrijven elimineren uit het drinkwater van stoffen met eigenschappen die nadelig kunnen zijn voor de gezondheid is van zo ingrijpende aard dat niet kan worden aangenomen dat een waterleidingbedrijf daartoe bij de vervulling van de hem in artikel 4 lid 1 van de Wet opgedragen taak de vrijheid heeft.